Paul Helwig

Paul Julius Adolf Helwig (geboren te Lübeck, 27 mei 1893; gestorven München, 7 augustus 1963) was een Duitse dramaturg, schrijver, filosoof en psycholoog, die op een originele manier aan de analyse van het menselijke gedrag heeft bijgedragen.

Levensloop en werk

Zijn vader was de koopman August Helwig. Na het gymnasium in 1913 studeerde Paul muziek aan de conservatoria van Leipzig en München. In München begon hij ook met de studie filosofie. Van 1917 tot 1918 vervulde hij zijn militaire dienstplicht, maar hij wist buiten de krijgshandelingen te blijven. In 1918 studeerde hij af in compositie en directie.
Daarna werd hij voor muzikale begeleiding en koorrepetitie aangenomen door het theater van Lübeck. In 1920 kreeg hij een aanstelling als kapelmeester en dramaturg, vervolgens als regisseur en dramaturg in Eisenach, waar hij in 1922 plaatsvervangende intendant en hoofdregisseur werd. Hij vervolgde zijn carrière als toneelleider in Heidelberg, om in 1924 over te stappen naar Düsseldorf waar hij eerste regisseur en leider van de toneelschool werd. In deze periode componeerde hij ook af en toe toneelmuziek.
In 1927 werd zijn behoefte om zijn studie filosofie te vervolgen zo groot (en was hij het theater even zat), dat hij zijn contracten opzei en in Keulen ging studeren, tot 1933 in zijn levensonderhoud voorziend als leraar aan de toneelschool aldaar. In 1930 was hij in het huwelijk getreden met de één jaar jongere Maria Conrad uit München. Het paar bleef kinderloos. In 1934 promoveerde hij bij Nicolai Hartmann in de filosofie op een dun proefschrift "Die individuelle Relation".
Daarna heeft hij verwoed pogingen gedaan om opnieuw leidende posities aan het toneel en/of de opera te krijgen, waartoe hij zich helaas ook fors met de Nazi-instituties moest inlaten. Dat resulteerde begin 1935 in een aanstelling als hoofdspelleider van de Opera in Halle. Dat was hem echter niet vooraanstaand genoeg en nieuw gelobby leidde ertoe dat hij in augustus 1936 hoofdspelleider van de Opera in Breslau werd. Ondertussen zag hij kans in dat jaar een volgend, wat lijviger filosofisch werk te publiceren, "Seele als Äußerung" dat een niet-dualistische opvatting van het geestelijke in de mens moest bieden. Tevens verscheen in 1936 de eerste versie van "Charakterologie", waarin hij psychologische typologieën en classificaties kritisch analyseert.
In Breslau was hij doodongelukkig, omdat het niet boterde met de algemene directeur muziek die tegelijk met hem was aangesteld, en dat leidde tot nieuwe verwoede pogingen ergens anders aan de bak te komen. Dat mislukte en hij verloor ook nog eens zijn aanstelling in Breslau.
Verarmd verhuisde hij op de gok naar Berlijn in de hoop daar aan de slag te komen, wat gehonoreerd werd met een aanstelling aan de toneelschool. In de periode die volgde schreef hij de komedie "Flitterwochen" (wittebroodsweken), die veel succes had (en ook tegenwoordig nog wel eens gespeeld wordt). Er braken nu enkele goede jaren aan, ook financieel, waarin er nog enkele komedies van zijn hand verschenen. De Nazi's stonden overigens alleen chauvinistische stukken en onschuldige komedies toe, de laatste ter verstrooiing van het gekwelde volk en idem strijdmacht. De andere komedies van Helwig hebben dan ook geen repertoire gehouden.



Paul Helwig plm. 47 jaar oud, op een succesvol moment van zijn leven
(ontleend aan een theaterprogrammaboekje uit 1941)


In 1941 bedierf Helwig alles weer, omdat hij de vooraanstaande criticus Heinz Frank in een opwelling een klap had gegeven. Frank had een wat negatieve, ironische recensie geschreven over de door Helwig zelf geregisseerde uitvoering in München van zijn stuk "Irrfahrt der Wünsche", en Helwig had zich daar enkele weken lang zeer over lopen opdraaien: hij was benauwd dat zijn zuur verdiende succes weer ineen zou ploffen en zag de armoede van 1937 en '38 weer opdoemen. Zijn zonderlingen en agressieve daad bleek de beste manier te zijn om deze boze dromen te doen uitkomen, want de Reichskulturkammer ontnam hem in juni 1941 bij wijze van straf zijn positie op de toneelschool en verbood hem activiteit en opvoeringen in alle Duitse theaters voor een heel jaar.
Dat gaf hem wel de tijd voor een roman ("Jerika") over een koopman van midden 40, die een verloren jeugdliefde herbeleeft met de dochter van zijn vroegere geliefde; plaats van handeling was de toneelschool in het vooroorlogse Berlijn. Na diverse berouwvolle brieven van Helwig aan alle betrokken personen en instanties werd de straf na enige tijd uitgesteld en in maart '42 ingetrokken, maar een lelijke knik in zijn carrière was er evengoed.
In de overige oorlogsjaren wist Helwig door het blijven schrijven van toneelstukken, het regisseren ervan en ook het verfilmen ervan, aan verplichte arbeid en aan gevechtsdeelname te ontkomen. Hij verbleef voor deze activiteiten soms maandenlang elders, o.a. in Wenen en Praag.

Bronnen tot hier:
1) Het Bundesarchiv, afdeling Berlijn, met dank aan Frau Kristin Hartisch en de firma Selke.
2) Ironisch geschreven autobiografische notitie in het boekje "Neue Bühnenschriftsteller im Kleinen Haus - Aus den Spielzeiten 1935-1939", Staatstheater Berlin 1940.


In de periode na de oorlog (plm. 1950-1957) ging Helwig zich beroepsmatig richten op psychologie en psychotherapie. Hij werkte (o.a.?) aan het psychosomatische instituut in Heidelberg, zijn toenmalige woonplaats. In 1951 kwam er een sterk herziene herdruk uit van zijn "Charakterologie" en in 1957 een derde, herziene herdruk. In 1958 kon hij met pensioen en leefde hij als onafhankelijke schrijver in München-Schwabing.
Daarmee brak de periode aan, waarin zijn drie belangrijkste werken uitkwamen: "Dramaturgie des menslichen Lebens" (1958), "Psychologie ohne Magie" (1963) en "Liebe und Feindschaft"(1964). Dit laatste boek kwam postuum uit: op 7 augustus 1963 was hij op 70-jarige leeftijd overleden.
Een jaar voor zijn dood had hij nog een bundel uitgebracht met ironische verzen vol neologismen, Pan-Pan-Potiphar, zogenaamd uit de nalatenschap van zijn verre neef, Alois Zeitvogel.
In de drie laatste psychologische werken ontvouwt hij zijn "dramaturgische" benadering van het menselijke functioneren. Hij geeft in het voorwoord van het 1958-boek aan al meer dan 10 jaar bezig te zijn geweest met deze theorievorming en ziet zijn theaterwerk als inspiratiebron daarvoor.



Paul Helwig rond 1960
(foto ontleend aan de achterflap van "Charakterologie", uitgave Herder)


Bronnen: Flapteksten en voorwoorden van zijn publicaties vanaf 1951.


Filosofische en psychologische ideeën

Geest als expressie

Zoals gezegd promoveerde Helwig in 1934 bij Nicolai Hartmann, met als bijvakken psychologie en nationale economie. De gedachte die hij in zijn dissertatie, "Die individuelle Relation", - een dun getypt boekje van 38 bladzijden - uitwerkte, was dat de "zijnsvorm" van al wat is getypeerd moet worden als het "zich heen hebben tot het andere". D.w.z. de dingen ontlenen hun identiteit grotendeels aan hun betrekking tot andere dingen, aan wat deze dingen elkaar doen, zonder dat hun bestaan helemaal opgaat in dit doen. Anderzijds is er echter geen (inter)actie mogelijk, zonder dat er iets is wat iets doet aan iets anders. Er is geen verandering mogelijk zonder dat er iets is wat verandert. Tegelijk is het zijnde niets als het niet verandert, maar dat betekent toch niet dat zijn op veranderen (worden) te herleiden is.
In 1936 publiceerde hij "Seele als Äusserung", waarin hij probeerde het dualisme te overwinnen door het "Tun" van het organisme aan de omgeving centraal te stellen en voor de dichotomie geestelijk-materieel de dimensie binnen-buiten te substitueren (die een belevingsdimensie en geen objectief ruimtelijke dimensie is). De fout die gemaakt wordt, stelt hij, is om aan het geestelijke een aan het materiële analoge en complementaire zijnswijze toe te kennen. Het geestelijke op zich is niets, maar is pas tot wat het is in het "zich heen hebben" tot de materiële omgeving.
Zo sluit deze verhandeling, die al veel meer een psychologische analyse dan een filosofische is, aan bij zijn dissertatie en maakt de nogal abstracte denkbeelden daarin ook weer wat begrijpelijker. In deze periode woonde hij overigens in Halle bij Leipzig, gevolgd tijdens en rond de oorlog door Berlijn.
Eveneens in 1936 verscheen de eerste versie van Charakterologie, een heel ander soort boek waarin psychologische typen en ziektebeelden kritisch behandeld worden.
In 1951 volgde een herschreven tweede editie van Charakterologie bij Klett in Stuttgart. Daarin introduceerde hij het zog. waardenkwadraat, een verhelderende manier van ordenen van waardegeladen begrippen: tegenover elke deugd kan een tegenovergestelde deugd worden gezet, met de implicatie dat beide kunnen ontaarden en verkeren in een ondeugd, als de een onvoldoende door de ander in evenwicht gehouden wordt. Bijvoorbeeld: tegenover het streven naar greep op de wereld moeten ook een zeker vertrouwen en gelatenheid staan; zo niet dan ontaardt het streven naar greep in krampachtigheid en dwangmatigheid, resp. ontaardt het vertrouwen in kinderlijke afhankelijkheid. (Een voorloper van het waardenkwadraat was overigens al te vinden in de editie van Charakterologie van 1936.)


Dramaturgische psychologie

Helwigs preoccupatie met het onherleidbare fenomeen van het "doen aan de omgeving en de medemens" leidde tenslotte tot zijn idee van de "dramaturgische psychologie": De verklaring van de gedragsfenomenen moet men niet, zoals de dieptepsychologie doet, in het "innerlijk" (de "psyche") zoeken, maar in de eigenschappen van het handelen zelf. Zulks niet "opportunistisch" vanuit een methodologisch behaviorisme, maar op principiële gronden, namelijk omdat al het voor de psychologie belangrijke zich in eerste en in laatste instantie "buiten", in de ontmoeting handelende mens vs. omgeving, afspeelt. En daarbij kijkt men met de afstandelijke ogen van de dramaturg naar het menselijke reilen en zeilen.
Daarbij is het noodzakelijk het handelen terug te geven wat er in de analyse kunstmatig aan ontnomen was, als veronderstelde factoren achter en voorafgaand aan het gedrag: begeren (motivatie), waarnemen, intentionaliteit. Die vat Helwig op als variabele eigenschappen van het handelen, en niet als iets los daarvan (waarbij actie tot een leeg, louter motorisch gebeuren gereduceerd wordt). Het essentiële van handelen is dat het een weerstand ontmoetend veranderen van de omgeving is. In dit handelen leeft men, leeft men verder (bestaat men voort).


Het "behaviorisme" van Helwig

Wat de keuze voor het uiterlijke gedrag als eigenlijk onderwerp van de psychologie betreft, is Helwig net als Skinner een radicale (lees: principiële) behaviorist, maar wel met als groot verschil dat hij op een veel meer molaire manier (d.w.z. in termen van grote gedragseenheden) naar het menselijk gedrag kijkt, en wel met de ogen van een toneelschrijver/regisseur. De interactie individu-omgeving dient men vanuit zijn visie te analyseren op de mate waarin daarin zo veel "stof" opgeworpen wordt, dat het tot handelingen (interacties) van langere adem kan komen, zoals dat ook in het toneeldrama gebeurt en essentieel voor een goed drama is, en waarmee "het leven verder gaat". Daartoe is de aard van de acties van het individu van belang, maar ook de mate van weerstand die hij daarop ontmoet, alsmede de responsiviteit van datgene waarop de acties gericht zijn.
Deze ideeën zijn neergelegd in drie boeken: het cultuurfilosofische "Dramaturgie des menslichen Lebens" (1958), het psychologische en psychopathologische "Psychologie ohne Magie" (1961), en "Liebe und Feindschaft" (1964), waarin liefdevol/vriendschappelijk gedrag vs. vijandelijk gedrag geanalyseerd worden op wat elk doet aan de omgeving.
Een beperking van Helwig is dat hij weinig zegt over de condities die maken dat een mens naar ineffectieve handelwijzen grijpt die het verder leven slecht dienen.


Niet doorgebroken

Helwig is tot op heden een geïsoleerd en maar matig bekend gebleven figuur in de psychologie. Waarom? Mijns inziens omdat hij tot geen enkele stroming of school behoorde en ook geen eigen school (met volgelingen) stichtte:
  • Hij brak met de toen in Duitsland sterke dieptepsychologische (psychoanalytische) traditie door het innerlijk in de gedragsverklaringen af te zweren en naar het gedrag op zich te kijken.
  • Hij deed dat op een heel andere manier dan fenomenologisch georiënteerde psychiaters/psychologen zoals Victor E. von Gebsattel en Erwin Straus, die overigens inmiddels ook vrijwel vergeten zijn.
  • En hij analyseerde het gedrag, ondanks een zekere verwantschap met Skinner, op zo'n compleet andere manier dan de behavioristen, dat die er toch niets mee hadden kunnen aanvangen, àls ze er al mee in aanraking waren gekomen (en het Duits hadden beheerst). Hij heeft in feite een soort existentiële psychologie bedreven.
  • Hij deed dat alweer op zo'n totaal andere wijze dan de theoretici die dat gezichtspunt claimden, dat hij ook onder hen geen school kon maken (wat ze zelf trouwens ook nauwelijks gedaan hebben).
    Daarnaast speelt een rol dat Helwig op een erg abstract niveau schrijft, een zeer persoonlijke terminologie invoert, en dus moeilijk te begrijpen is. Hij deed ook geen moeite om bij een van de psychologische scholen - desnoods oppervlakkig - aan te sluiten. Dus hij hoorde nergens bij en sloeg nergens voor langere tijd aan.


    Werken van Paul Helwig

    Filosofisch-psychologisch werk

  • Helwig, P. (1934): ''Die individuelle Relation. (Ein Beitrag zur Dialektik der Selbstheit).'' Universität Köln: dissertatie. 38 pag. Aanwezig in de bibliotheek van de Rijksuniversiteit van Utrecht.
  • Helwig, P. (1936): ''Seele als Äusserung. Untersuchungen zur Leib-Seele Problematik.'' Leipzig en Berlijn: Teubner Verlag. 124 pag.
  • Helwig, P. (1936): ''Charakterologie.'' Leipzig: Teubner Verlag.
  • Helwig, P. (1951): ''Charakterologie.'' 2e herziene oplage. Stuttgartt: Klett Verlag.
  • Helwig, P. (1965): ''Charakterologie.'' 3e herziene oplage. Stuttgartt: Klett Verlag. (Daarna meermalen herdrukt in de Herder-Bücherei.)
  • Helwig, P. (1953): ''Die gewünschte und die gewollte Welt. Zur psychologischen Charakterisierung des Hysterikers und des Zwangsneurotikers.'' Psyche, VI, 10. Heft, p. 561-576.
  • Helwig, P. (1958): ''Dramaturgie des menslichen Lebens.'' Stuttgart: Klett.
  • Helwig, P. (1961): ''Psychologie ohne Magie. Der Mensch im Spannungsgefuge der Lebensdramatiek.'' München/Basel: Reinhardt.
  • Helwig, P. (1963): ''Karakterologie.'' Utrecht: Spectrum-Aula. Herdrukken in latere jaren. Met aan het einde een speciaal voor deze uitgave geschreven samenvatting van zijn eigen benadering van de psychologie, zoals uiteengezet in Helwig (1958 en 1961).
  • Helwig, P. (1964): ''Liebe und Feindschaft.'' München/Basel: Reinhardt. (Postuum.)

    Er zullen nog enige tijdschriftartikelen ontbreken.


    Theaterstukken (lijst misschien niet volledig)

  • 1922: Das Eichenacher Spiel von der zehn Jungfrauen. ''Für die Aufführung im Juli, 1921, neu übersetzt und scenisch bearbeitet von Conrad Höfer und Paul Helwig.'' Verlag: Rahle, Eisenach, 1922.
  • 1938: Flitterwochen.
  • 1939: Irrfahrt der Wünsche.
  • 1939: Am helllichten Tag. Berlin: Drei Masken Verlag (1942?).
  • 1940: Götter auf Urlaub. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1941: Der Barbar: eine historische Tragikomödie in 5 Aufzügen. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1942: Schwarze Magie: Lustspiel in 3 Auzügen. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1942: Die schöne Maria: Historische Komödie in 5 Aufzüge. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1942: Lucille und Orleans: Eine dramatische Romanze in 5 Aufzüge. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1942: Des Ruhmes und der Liebe Schwert: Eine dramatische Romanze in 5 Aufzüge. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1943: Krampus und Angelika: Komödie in 3 Aufzüge un 1 Vorspiel. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1947: Jupiter: Komödie in 3 Aufzüge. (Deutsche bearbeitung von Rober Boissy). Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1947: Familie Professor Linden. Deutsche Bearbeitung von "The Linden Tree" von J.B. Priestley. Berlin: Drei Masken Verlag (1948).
  • 1948: Die neue Stadt: Ein Spiel in 3 Aufzüge. Deutsche Bearbeitung von John Boynton. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1948: Hier bin ich schon einmal gewesen: Schauspiel in 3 Aufzüge. Deutsche Bearbeitung von John Boynton. Berlin: Drei Masken Verlag.
  • 1949: Ernst Beiseite: Lustspiel in 3 Auzügen. Hamburg: Die Rampe, Bühnenvertrieb GmbH.
  • 1958: Die fremde Stadt. Übersetzung eines Spiel in 3 Aufzüge von J.B. Priestley. Weinheim: Dt. Laienspiel-Verlag.


    Films (lijst mogelijk niet volledig)

  • 1924: Der Roman der Lilian Hawley. Scenario.
  • 1939: Mein Mann darf es nicht wissen. Verfilming van Flitterwochen.
  • 1940: Das leichte Mädchen. Scenario samen met Fritz Peter Buch.
  • 1954: Der glückliche Reise. Scenario samen met Herbert Witt. Naar de gelijknamige Operette von Eduard Künneke
  • 1954: Der Mann meines Lebens. Scenario (literatuurverfilming).
  • 1955: Schwedenmädel (Sommarflickan). Scenario met Ursula Bloy.
  • 1955: Liebe ohne Illusion. Dialogen.
  • 1956: Nichts als Ärger mit der Liebe. Scenario met Heinz Oskar Wuttig.
  • 1957: Ein Stück vom Himmel. Scenario met Juliane Kay.

    In 1943 en 1944 verbleef Helwig enige tijd in resp. Wenen en Praag voor de verfilming van zijn stukken.


    Overigens (lijst mogelijk niet volledig)

  • 1941: Jerika. ''Roman''. Wien-Leipzig: Alfred Ibach Verlag.
    Mooi en beeldend geschreven roman over de relatie tussen een man van middelbare leeftijd die een verloren liefde probeert te herbeleven met een jonge studente aan de toneelschool, dochter van zijn verloren geliefde, spelend in het Berlijn van voor de oorlog. Met evenwel opmerkelijk weinig (uiterlijk) drama.
  • 1962: Pan - Pan - Potiphar: Die abstrakte Lyrik meines Vetters Alois Zeitvogel. ''Gedichten.'' Nürnberg: Glock und Lutz.
    Nonsensgedichten, zogenaamd van een neef die ambtenaar was, met veel neologismen - met tekeningen van Julius Nest (pseudoniem voor de auteur zelf?).